Een boer die een juk met twee melkemmers draagt, is aan beide zijden van de ketel afgebeeld. Deze versiering had tegen de tijd dat deze pijp werd gemaakt al lang zijn populariteit verloren. De afbeeldingen zijn slordig en niet erg professioneel gegraveerd en het lijkt erop dat deze pijp is gemaakt als een goedkope pijp voor plattelandskopers. Op de zijkant van de hiel staat het wapen van Gouda met de letter S. Dit betekent dat deze pijp door de pijpenmaker is ingedeeld als een pijp van de op één na beste kwaliteit. De pijp vertoont echter geen enkel teken van vakmanschap dat overeenkomt met de kwaliteit van deze pijp. Door de slechte afwerking behoort deze pijp dan ook tot de grove pijpen. Het feit dat Teunis van Dijk ooit gildemeester was en dat hij met deze pijp de gildevoorschriften overtrad, is een aanwijzing dat de handhaving van de gildevoorschriften niet consequent was.
In dit artikel worden twee groepen kleipijpen besproken die zijn gevonden in de provincie Zeeland, beide in de omgeving van de stad Middelburg. Hoewel de pijpen uit beide groepen op verschillende locaties zijn gevonden, bestaat één groep uit een complete particuliere collectie en heeft daardoor een bijzondere relevantie met betrekking tot de samenstelling. De tweede groep bestaat uit een selectie pijpen met onbekende of ongebruikelijke makersmerken. Bijzondere hoogtepunten uit de eerste collectie zijn twee fragmenten van zeer grote pijpen, die waarschijnlijk zijn gemaakt voor reclame- of promotiedoeleinden. Het merendeel van de pijpen uit de eerste collectie kan worden toegeschreven aan diverse pijpenmakerswerkplaatsen uit verschillende steden in Nederland. De samenstelling van deze groep bevestigt in het algemeen de bevindingen van eerdere rapporten over kleipijpvondsten uit deze provincie en presenteert een aantal onbekende, mogelijk lokaal vervaardigde producten. De tweede groep bestaat uit pijpen met verschillende ongebruikelijke of onbekende makersmerken die mogelijk lokaal zijn geproduceerd.
In het Rijksmuseum in Amsterdam wordt een collectie pijpenkoppen bewaard die zijn gevonden tijdens opgravingen bij het landhuis Arentsburg in Voorburg, de locatie van Forum Hadriani (de meest noordelijke Romeinse stad op het Europese continent en de op één na oudste stad van Nederland). De pijpen werden gevonden onder toezicht van professor Caspar Jacob Christiaan Reuvens (1793–1835) tijdens de eerste Nederlandse wetenschappelijke archeologische opgraving in 1827–1831. Het betreft daarmee de eerste pijpenkoppen die tijdens een officiële archeologische opgraving in Nederland zijn verzameld. Reuvens werd in 1818 door koning Willem I benoemd aan de Universiteit Leiden en was de eerste hoogleraar archeologie ter wereld. Hij was ook betrokken bij de oprichting van het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden.
Wat hebben kleipijpen, gasfabrieken en een scheepswrak (code ZP5/6) uit Zuidelijk Flevoland met elkaar gemeen? Een partij van bijna honderd pijpenkoppen, gevonden tijdens de opgraving van een klein houten vaartuig, geeft antwoord op deze vraag. Op basis van het onderzoek van de lading kan worden aangenomen dat het om afval van een gasfabriek gaat. Het schip zonk in het vierde kwart van de negentiende eeuw op de Zuiderzee en werd gevonden nabij Zeewolde. In dit onderzoek bleken kleipijpen opnieuw een grote dateringswaarde te hebben. Eén van de pijpenkoppen is de jongste vondst in het wrak en geeft daarmee een terminus post quem-datering: het schip kan pas zijn vergaan na de productiedatum van de betreffende pijp. Dit artikel beschrijft de pijpen uit ZP5/6, die op enkele porseleinen pijpfragmenten na allemaal van Nederlandse makelij zijn.
In 1975 werd het wrak van een bijna twintig meter lang vaartuig gevonden nabij Zeewolde in Zuidelijk Flevoland. Het zinken van het schip werd gedateerd op het einde van de negentiende eeuw. In 2019 werd aanvullend onderzoek uitgevoerd en uiteindelijk kon het schip worden geïdentificeerd als De Drie Gezusters van schipper Meijer uit Wildervank in Groningen. Het schip, afkomstig uit Rotterdam met een lading steenkool, zonk in de nacht van 20 juni 1893, nabij Harderwijk in het huidige Zeewolde. Aan boord werden tabakspijpen van verschillende materialen en voorwerpen voor de opslag van tabak gevonden, evenals een fragment van een metalen pijpenmal. Deze laatste was niet bedoeld voor het maken van rookpijpen, maar voor snoeppijpen en was waarschijnlijk aan boord om het metaal later opnieuw te gebruiken voor nog onbekende doeleinden.
Dit artikel, gebaseerd op recent gevonden documenten, geeft nieuwe informatie over het assortiment, de handel, handelsrelaties en de ontwikkeling van de firma Hollandia, opgericht door Van der Want en Barras in Gouda in 1898. Deze firma produceerde voornamelijk gietpijpen. De kennis over deze firma was tot nu toe zeer beperkt, met slechts enkele gepubliceerde artikelen. Aangezien Hollandia een van de vier belangrijke firma’s was die in de twintigste eeuw pijpen en plateel vervaardigden, biedt deze nieuwe informatie ook belangrijke nieuwe inzichten in de ontwikkeling van de pijpenindustrie in de twintigste eeuw. In dit artikel zijn voorheen onbekende catalogi, reclamemateriaal, brieven en facturen aan klanten, evenals een grote collectie pijpen gebruikt om nieuwe inzichten te geven in de geschiedenis van de firma Hollandia.
De weigering van België om Duitse troepen vrije doorgang door hun land naar Frankrijk te verlenen, leidde ertoe dat Duitsland België op 4 augustus 1914 binnenviel. In de eerste dagen van de oorlog vluchtten tienduizenden Belgen naar Nederland, dat neutraal was gebleven. In deze eerste dagen werd het ‘Nederlandsch Comité tot steun van Belgische en andere slachtoffers’ opgericht. Dit burgerinitiatief werd later door de overheid overgenomen. In Gouda was er een opvang, opgezet door een lokaal steuncomité, voor 2000 mensen. Het is niet verwonderlijk dat de in België geboren George Barras, een van de oprichters en eigenaren van Van der Want & Barras (Hollandia en Regina), zich het lot van zijn landgenoten aantrok. Hij wilde speciaal voor hen producten maken die zijn patriottisme toonden en begon onder meer pijpen te produceren met afbeeldingen van de Belgische koninklijke familie en de vlaggen van de geallieerden. De pijpen waren niet alleen bedoeld voor de vluchtelingen, maar ook voor export naar België.
Dit artikel belicht een aparte groep rookpijpen met opvallende ontwerpen die afwijken van de meest gangbare figurale pijpen van de Franse firma Gambier uit Givet. Deze pijpen zijn zo ontworpen dat de tabaksketel wordt gevormd door het volledige lichaam van een mens of dier. Gambier produceerde verschillende van deze ‘pipes-statuettes’ of kleifiguren. Meestal maakten deze pijpen deel uit van het reguliere assortiment en zijn ze terug te vinden in de verschillende catalogi. Sommige werden slechts korte tijd geproduceerd ter gelegenheid van een speciale gebeurtenis en komen daarom niet in de catalogi voor. Zij werden na teruglopende verkoopcijfers vervangen door nieuwe modellen. In dit artikel wordt een selectie gemaakt uit deze bijzondere groep pijpen en worden verschillende opvallende modellen beschreven en afgebeeld.
In de afgelopen jaren is er steeds meer bekend geworden over de pijpenmakers, hun werknemers en de pijpen die in Roeselare in West-Vlaanderen werden gemaakt. Terwijl veel onderzoekers zich richtten op, is de pijpenindustrie in Vlaanderen lange tijd onvoldoende onderzocht. Voor Roeselare bestonden, afgezien van gespecialiseerde artikelen over pijpen, slechts algemene vermeldingen van de pijpenindustrie. De pijpenindustrie van Roeselare werd ook genoemd in overzichtswerken, zoals in het boek van Jacques Caro, waarin slechts zeven namen voorkomen van pijpenmakers die daar werkzaam waren. Over vrouwen die in pijpenfabrieken werkten was zelfs helemaal niets bekend. Uit de lijsten die in dit artikel worden gegeven, blijkt dat de aantallen die in verschillende statistieken worden genoemd een onderschatting vormen van de werkelijke omvang van het personeelsbestand.
Aan het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw stond asbest hoog aangeschreven en werd het voor allerlei doeleinden gebruikt. Zo werd tabak bijvoorbeeld met asbest gemengd om het beter te laten branden. De gedachte hierachter was dat het asbest de tabakssappen tot het einde opnam en zo zorgde voor een betere verbranding. In die tijd was er nog niets bekend over de schadelijkheid van asbest. De eerste waarschuwingen voor asbest verschenen in de jaren dertig, maar pas in 1978 werden de eerste verboden op het gebruik van asbest ingevoerd en pas in 1993 werd het gebruik en de toepassing ervan volledig verboden. De zogenoemde asbestpijpen dateren ook van rond 1900. Deze werden vervaardigd door verschillende firma’s, zoals de Belgische firma’s De Bevere in Kortrijk, Knoedgen in Bree en Wingender Frères in Chokier.