Het Jaarboek 2025
Het Jaarboek 2025 is verschenen. Het bevat dit jaar 11 artikelen over wederom verschillende onderwerpen die een breed interessegebied omvatten; de ontmaskering van Lichtius, een artikel over een nieuw ontdekte stad met een pijpenmaker, een 19e-eeuwse Veluwse onderzoeker, een uitgebreid artikel over de verschillende pijpenmakers van het Goudse geslacht Prince , een vlechtwerkje van Van Duyn, pijpen uit Macharen, plateel pijpenrekken, kinderlijke bijproducten uit het Westerwald, een militair circus op een tabakspot, generaals uit de Eerste Wereldoorlog én Canadese politici.
Toegang tot digitale versie (NL & Eng), alleen voor leden
Hieronder een impressie. Zolang de voorraad strekt kan het Jaarboek 2025 ook los besteld worden
Impressie Jaarboek 2025
JB-2025-teaser-NLFrederik Hendrik- en Amalia van Solms-pijpen: een nieuwe datering en interpretatie en andere (gedateerde) barokpijpen van Pieter de Licht – Bert van der Lingen



Gedurende vele jaren werd aangenomen dat kleipijpen met afbeeldingen van Frederik Hendrik en Amalia van Solms waren vervaardigd ter herdenking van hun huwelijk in 1625. De recente vondst van een vrijwel complete pijp, gedateerd 1633, stelt deze aanname ter discussie en wijst op een andere historische context voor hun productie. Deze vondst maakt het mogelijk een kleine, onderscheidende groep rijk versierde zogenoemde barok- en Jonapijpen, gemerkt met een gestempelde roos, toe te schrijven aan het atelier van de weinig bekende pijpenmaker Pieter Sijmonsz de Licht, die zijn naam latiniseerde tot Per de Licht of Lichtius. Net als barok- en Jonapijpen worden de pijpen van De Licht vaak aangetroffen in militaire en maritieme contexten, wat wijst op hun populariteit onder soldaten en zeelieden. Dit artikel brengt bekende exemplaren van zijn werk samen, plaatst deze in een breder historisch kader en biedt nieuwe inzichten in zowel de maker als de motieven achter de gedateerde productie van deze pijpen.
Een groep vroege pijpen uit Zierikzee, 1620-1635 – Bas Konijnendijk

Een vondst van vijftig vroege kleipijpen in de stad Zierikzee lijkt (grotendeels) een afvaldump van een lokale pijpenmaker te zijn. Dit wordt onderstreept door het feit dat alle vroege pijpen ongerookt zijn en de meeste productiefouten vertonen die ze minder geschikt maakten voor verkoop en gebruik.
Daarnaast werd een stuk aardewerk gevonden waaraan fragmenten van pijpenstelen vastzaten, vastgehecht in het glazuur. De helft van de pijpen is gemerkt met drie verschillende merken: een klimmende leeuw met de initialen II (of mogelijk HI), TI en II. Twee pijpen met afwijkende merken zijn duidelijk elders vervaardigd.
Omdat het onderzoek naar pijpenmakers in de provincie Zeeland tot nu toe zeer beperkt is, levert deze vondst nieuwe informatie op over lokale productie, het assortiment en de gebruikte merken.
Een opmerkelijke vondst van pijpen in Macharen – Ruud Stam

In Macharen, bij Oss, werden op een boerderij elf kleipijpenkoppen gevonden. Acht daarvan waren geproduceerd in ’s-Hertogenbosch door de pijpenmaker L. Eras, en één door Teunis van Eyck, die in ’s-Hertogenbosch werkte in opdracht van F. Sparnaaij uit Gouda. Het artikel bespreekt de vervalsing van Goudse pijpenmerken en hoe daar destijds weinig tegen kon worden gedaan. Het merk 75 gekroond was eerder nog niet geïdentificeerd op pijpen uit ’s-Hertogenbosch. Deze vondst bevestigt tevens dat de welvaart in Macharen in de negentiende eeuw laag was. Ook worden twee pijpen uit het nabijgelegen Megen beschreven.
Een bijzondere groep gevlochten pijpen van Martinus Nicolaas van Duijn – Arjan de Haan

De in dit artikel besproken pijpen zijn vervaardigd door Martinus Nicolaas van Duijn (1855–1935) uit Gouda, de derde generatie pijpenmakers in zijn familie. In 1885 werd hij eigenaar van de werkplaats, op een moment dat de Goudse pijpenindustrie al in verval was. Het betreffende stuk bestaat uit drie ineengevlochten pijpen van 52 cm lang, duidelijk bedoeld als pronkstuk en niet voor daadwerkelijk gebruik. Ze zijn ruw afgewerkt en dragen geen hielmerk. Dit uitzonderlijk zeldzame object toont het Pruisische wapen op de pijpenkop, samen met het opschrift VIVAT DE PRUYSE. Gevlochten kleipijpen zijn zeldzaam in Nederland. Uitzonderingen vormen exemplaren die speciaal voor tentoonstellingen of bijzondere gelegenheden werden gemaakt, vaak als demonstratie van vakmanschap. Een bekend voorbeeld zijn de gevlochten pijpen van Goedewaagen, vervaardigd in 1897 tijdens het bezoek van koningin Wilhelmina aan de fabriek, die sterke overeenkomsten vertonen met de hier besproken pijpen van Martinus van Duijn.
Prince, een belangrijke pijpenmakersfamilie in de 19e eeuw – Ruud Stam, Freek Mayenburg, Aad Kleijweg, Bas Konijnendijk


Leden van de familie Prince behoorden in de negentiende eeuw tot de belangrijkste pijpenmakers in Gouda. Vanaf 1797 was Cornelis Prince de eerste pijpenmaker van deze familie. Tot 1898 nam de familie Prince een dominante positie in binnen de Goudse pijpenindustrie. De familie wist welvarend te worden in het verder arme Gouda, mede door diversificatie naar andere bedrijfsactiviteiten en door de aankoop en verkoop van huizen. In dit artikel is de geschiedenis van de Prince-bedrijven gereconstrueerd op basis van archiefstukken. De enige bekende catalogus van Prince is nauwelijks leesbaar. Door verschillende collecties met elkaar te vergelijken, zijn in dit artikel een groot aantal pijpen toegeschreven aan de opeenvolgende Prince-bedrijven. Opvallend is dat de kwaliteit van de pijpen van Prince aanzienlijk hoger is dan die van Sparnaaij, wat deels verklaard kan worden door de sociale opvattingen van deze pijpenproducenten.
Grote pijpenrekken van Gouds plateel (Ivora, Regina en Goedewaagen) en volkskunst pijpenrekken van aardewerk – Henk van Assema


Rond 1900 begonnen verschillende grote kleipijpenfabrikanten in Gouda geleidelijk met de productie van aardewerk en decoratief plateel (“Gouds plateel”), in vele vormen en maten. Deze verschuiving hielp om de teruglopende inkomsten te compenseren die werden veroorzaakt door de afnemende vraag naar de traditioneel handgemaakte, in mallen geperste Goudse kleipijpen. De productie van deze geperste pijpen werd gedeeltelijk vervangen door kleipijpen die in gietmallen werden vervaardigd (ook al waren deze duurder), evenals door de toenemende populariteit van houten tabakspijpen en pijpen van andere materialen. Onder het aardewerk en de decoratieve voorwerpen die nog in de catalogi van de fabrikanten voorkomen, bevindt zich een klein aantal grote pijpenrekken, vervaardigd in verschillende uitvoeringen. De belangrijkste producenten van deze grote Goudse aardewerken pijpenrekken waren Ivora, Regina en Goedewaagen. Dit artikel beschrijft en dateert deze grote Nederlandse aardewerken pijpenrekken, evenals drie pijpenrekken die als volkskunst kunnen worden beschouwd.
H. G. Haasloop Werner (1792-1864), verzamelaar van Veluwse oudheden en pijpenkoppen – Bert van der Lingen


Heinrich Gottfried Haasloop Werner (1792–1864) was een voormalig militair officier en een verzamelaar van Veluwse oudheden en kleipijpen. Na zijn pensionering vestigde hij zich in Doornspijk en wijdde hij zich aan regionale geschiedenis, archeologie en volkscultuur. Tijdens zijn wandelingen verzamelde hij voorwerpen en bewoners gaven hem vaak hun vondsten. Zijn collectie werd tentoongesteld in zijn woning op het landgoed De Haere. Zeven pijpfragmenten uit zijn collectie, gemonteerd op een stuk karton, zijn bewaard gebleven. Ze bevinden zich nu in het Rijksmuseum en waren oorspronkelijk afkomstig uit het Rijksmuseum van Oudheden. De fragmenten variëren van fijne Goudse pijpen (1660–1690) met hielmerken tot grovere, ongemerkte exemplaren uit latere perioden. De exacte herkomst en vindplaatsen zijn onbekend, hoewel sommige fragmenten uit dezelfde context lijken te komen. In de negentiende eeuw werden kleipijpen vaak ten onrechte als Romeins geïdentificeerd; het is onduidelijk of Haasloop Werner deze opvatting deelde. Zijn verzameling weerspiegelt de vroege interesse in kleipijpen als historische objecten en draagt bij aan de geschiedenis van het archeologisch verzamelen in Nederland.
Gambier-pijpen ontworpen voor de Amerikaanse en Canadese markten – Arthur van Esveld


De Franse firma Gambier exporteerde in de tweede helft van de negentiende eeuw naar de Verenigde Staten en Canada. Verkoopcatalogi van Amerikaanse handelaren tonen een breed assortiment producten, waaronder de bekende Crème Gambier-pijpen en modellen van Fiolet. Hoewel Frankrijk tussen 1865 en 1867 slechts een klein aandeel had in de Amerikaanse importmarkt voor kleipijpen (gemiddeld 2,5%), nam de export in de daaropvolgende decennia aanzienlijk toe. Grote Franse fabrikanten zoals Gambier, Duméril en Gisclon hadden vertegenwoordigers in steden als New York en San Francisco, wat wijst op een actieve commerciële strategie. In Canada was de populariteit van Franse pijpen zo groot dat Canadese fabrikanten specifieke modellen van Gambier begonnen te imiteren. Rond 1900 ontwikkelde Gambier zelfs speciale pijpmodellen met portretten van Canadese politici. Op vergelijkbare wijze werden portretpijpen van Amerikaanse politici vervaardigd voor export naar de Verenigde Staten. Deze pijpen worden in dit artikel besproken.
Pijpen van Job Mouton Clerc uit Saint-Quentin-la-Poterie met portretten van generaals uit de Eerste Wereldoorlog, Koning Albert I van België en een pijp in de vorm van een pet – Ruud Stam


In Saint-Quentin-la-Poterie, een dorp in Zuid-Frankrijk met een rijke keramiektraditie, was de pijpenfabriek van Job Clerc actief vanaf circa 1880. Clerc, afkomstig uit een welgestelde familie van pijpenhandelaren, nam het bloeiende bedrijf van Pasquier over. De fabriek produceerde pijpen, kinderspeelgoed en figuren, en exporteerde naar landen zoals Duitsland, Italië en de Verenigde Staten. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bereikte de productie een hoogtepunt, waarbij voornamelijk vrouwen werkzaam waren vanwege de mobilisatie van mannen. Clerc vervaardigde ook portretpijpen van figuren uit de oorlog, zoals Albert I van België, Joseph Joffre, John French en Ferdinand Foch. Deze pijpen, gemaakt van rode of witte klei, werden soms beschilderd of geglazuurd en verwezen naar de oorlogsinspanningen. Van Joffre zijn twee modellen bekend, waaronder een geëmailleerde versie van na 1918. Clerc maakte ook een pijp in de vorm van een generaalspet die op een hand rust. Hoewel zijn producten niet altijd van hoge kwaliteit waren, werden ze gewaardeerd om hun karakter en charme. De fabriek bleef in bedrijf tot 1970, lang nadat andere Franse pijpenmakers hun productie hadden beëindigd.
Bijproducten van pijpenmakers uit het Westerwald die figuren uit kinderboeken en verhalen voor kinderen verbeelden – Ruud Stam


In de eerste helft van de twintigste eeuw daalde de omzet van de pijpenmakerijen in het Westerwald sterk. Om het hoofd boven water te houden, begonnen veel pijpenmakers allerlei figuren te produceren die als speelgoed of reclameartikelen werden verkocht. Hieronder bevonden zich ook figuren die sprookjes en kinderverhalen uitbeeldden, evenals koppen voor poppenkastpoppen. Tijdens het nationaalsocialistische regime in Duitsland werden ook zogenoemde Winterhulp-artikelen (Winterhilfswerk) vervaardigd, waarvan de opbrengst zogenaamd bestemd was voor armen, oorlogsweduwen en wezen, maar in werkelijkheid naar de oorlogskas vloeide. In het Westerwald maakten pijpenmakers kleine, in mallen gevormde Winterhulp-insignes. Sommige hiervan stelden sterrenbeelden voor, maar de meeste verbeeldden figuren uit de kinderboeken van Wilhelm Busch, zoals de verhalen van Max en Moritz, Herr en Frau Knopp, Die fromme Helene en de schilder Klecksel, evenals verhalen van Heinrich Hoffmann uit zijn boek Struwwelpeter. Het artikel toont ook veel koppen van poppenkastfiguren. Niet alle personages konden bij naam worden geïdentificeerd. De pijpenmakers vervaardigden slechts twee pijpen met koppen van figuren uit kinderverhalen: Max en Moritz. Waar mogelijk zijn de makers van de figuren vermeld. De getoonde objecten zijn afkomstig uit verschillende particuliere collecties en uit de collectie van het Keramikmuseum Westerwald.
Twee tabakspotten uit het Westerwald en hun verhaal – Max Schneckenbühl


Na de wapenstilstand van 11 november 1918 bezetten Amerikaanse troepen het gebied rond Koblenz, waaronder het Westerwald. Ongeveer 60.000 soldaten van de First Division waren verspreid over meer dan 100 plaatsen en werden ingekwartierd bij lokale families. De relaties met de Duitse bevolking waren aanvankelijk gespannen door strenge regels en contactverboden. Om de soldaten bezig te houden werden sportevenementen, excursies en circusvoorstellingen georganiseerd. In deze periode verschenen souvenirs van Westerwald-keramiek, zoals bierpullen, asbakken en tabakspotten. In 2023 werd een zeldzame tabakspot ontdekt, gemaakt door Dümler & Breiden, met medaillons die verwijzen naar veldslagen, een circusoptocht en een artillerieregiment. De pot is een uniek aandenken aan de Amerikaanse bezetting. Een andere tabakspot toont Amerikaanse troepen. Deze keramische objecten vormen tastbare herinneringen aan de Amerikaanse aanwezigheid in Duitsland na de Eerste Wereldoorlog.
