In dit artikel worden een zeldzame kleine kleipijp en een nog zeldzamer metalen pijpenetui uit de periode 1690–1710 besproken. De pijp werd bijna vijftig jaar geleden in Amsterdam in het foudraal gevonden. Het is waarschijnlijk het oudst bekende pijpenetui. Het foudraal heeft twee scharnieren: het eerste om het deksel boven op de pijpenkop te openen en het tweede om het compartiment te openen waarin de kop wordt vastgehouden. Het deksel had ook een beveiligingsfunctie, aangezien het foudraal alleen geopend kan worden wanneer het deksel open is. De in Gouda gemaakte kleipijp is een vroeg trechtermodel uit de periode 1690–1710 en is op de hiel gestempeld met het pijpenmakersmerk gekroonde H. De ‘miniatuur’-pijp is slechts 2,5 cm hoog, bijna even groot als veel pijpen uit het einde van de zestiende of het begin van de zeventiende eeuw. Het is niet bekend waarom deze kleine voorwerpen werden gemaakt, maar het gebruik kan zijn geweest om sigaren te roken, aangezien de opening van de kop min of meer overeenkomt met die van sigarenhouders uit de achttiende en vroege negentiende eeuw.
In de achttiende en negentiende eeuw gebruikten veel pijpenmakers in verschillende Nederlandse steden de gekroonde letter N op hun goedkoopste producten, gericht op de massamarkt. Het was een van de meest populaire en meest gebruikte versieringen. Er zijn veel speculatieve verklaringen gegeven voor de oorsprong van dit merk, zoals dat het zou staan voor ‘Nederland’ of ‘Napoleon’, of dat het een verwijzing zou zijn naar de jaarletters zoals gebruikt door zilversmeden uit de stad Schoonhoven. Recent archiefonderzoek naar de oorsprong van de Schoonhovense pijpenmakers heeft echter aangetoond dat de letter verwijst naar de familienaam van de eerste gebruiker, Gerrit Nobel. In de late zeventiende en vroege achttiende eeuw begonnen de pijpenmakers uit de nabijgelegen stad Gouda de binnenlandse en internationale markten te domineren, waarbij zij het grootste deel van hun inspanningen richtten op hun unieke pijpen van hoge kwaliteit, die de hoogste opbrengst opleverden. Dit resulteerde in een gebrek aan goedkope, betaalbare pijpen voor de arbeidersklasse. De pijpenmakers uit Schoonhoven speelden hier snel op in door zich te richten op de productie van pijpen voor dit laagste marktsegment. De pijpenmakers uit de familie Nobel behoorden tot de eersten die deze kans benutten, en hun grote succes leidde ertoe dat hun merk, ‘de gekroonde N’, synoniem werd met de productcategorie van kortgesteelde, betaalbare pijpen voor de massa. Afstammelingen van de eerste pijpenmaker Nobel domineerden gedurende de achttiende eeuw de pijpenindustrie in Schoonhoven. Verschillende kleinzonen van Gerrit vestigden zich ook in de stad Gouda, en hun nakomelingen waren daar tot in de negentiende eeuw als pijpenmakers actief. Dit artikel is gebaseerd op de inhoud van een recente publicatie van de auteur, die veel nieuwe inzichten en informatie biedt over de Schoonhovense kleipijpenmakers.
Tabakspijpen waarop het pijpenmakersambacht is afgebeeld zijn vrij zeldzaam; er zijn slechts drie verschillende varianten van dergelijke pijpen bekend. Ze werden vervaardigd tussen 1800 en 1925. De versieringen op de oudere modellen werden overgenomen op de latere versies. De eerste en oudste pijpen, uit circa 1810–1840, werden in dezelfde mal gemaakt maar dragen drie verschillende pijpenmakersmerken die op de hiel zijn gestempeld. Hoewel deze merken eigendom waren van leden van de familie Van der Kleijn uit Gouda, is het zeldzaam om verschillende merken aan te treffen op identiek versierde pijpen uit dezelfde mal. De ketel van het tweede type is iets boller en werd vervaardigd door de Goudse firma’s Goedewaagen en Van der Want. Het derde type is een krulpijp die door Goedewaagen werd gemaakt in de periode 1875–1925.
In de periode 1999–2001 heeft de Archeologische Werkgroep “Leen de Keijzer” in Houten onderzoek uitgevoerd op het terrein van kasteel Heemstede, ten westen van Houten in de provincie Utrecht. De in dit artikel gepresenteerde tabakspijpen zijn gevonden tijdens opgravingen van de grote vijver ten westen van het kasteel. Hier bevonden zich de voormalige watermolen en de fundamenten van twee bijgebouwen die dienden als onderkomen voor het stalpersoneel en de tuiniers van het kasteel. Er zijn enkele, beter afgewerkte trechtervormige pijpen gevonden. Op één na vertonen deze pijpen weinig gebruikssporen en, in combinatie met de fijne kwaliteit en hogere aanschafprijs, zijn zij waarschijnlijk uitsluitend gebruikt door de bewoners van het kasteel. Het merendeel van de pijpen behoort echter tot de zogenoemde ‘groffe’ of goedkope kwaliteit en lijkt te zijn gebruikt door het personeel in de bijgebouwen.
Dit artikel beschrijft hoe Franse kleipijpenfabrikanten hun pijpen adverteerden en hoe deze van de fabriek bij de consument terechtkwamen. Een belangrijk onderdeel van de verkoop van pijpen was het tonen van het beschikbare modellenassortiment door middel van het toesturen van verkoopcatalogi aan groothandelaren in Frankrijk en daarbuiten. Met deze catalogi konden pijpen worden geselecteerd en per brief of ansichtkaart bij de fabriek worden besteld. Er waren ook fabrikanten die, naast hun eigen pijpen, producten van de concurrerende pijpenfabrikant Gambier verhandelden. Consumenten werden op de hoogte gebracht van nieuwe pijpmodellen via advertenties. In vrijwel elk dorp of stad waren winkels te vinden waar pijpen aan consumenten werden verkocht. Deze winkels bestelden hun pijpen bij gespecialiseerde groothandelaren of bij zogenoemde ‘dépôt de pipes de Gambier’, die binnen een bepaalde regio het exclusieve recht hadden om pijpen van Gambier te verkopen.
In oktober 1879 publiceerde Le Figaro, de oudste Franse dagkrant, een kort artikel waarin acht figurale pijpen van de fabriek Gambier werden genoemd, samen met hun jaarlijkse verkoopcijfers voor het jaar 1878. In dezelfde periode verscheen dit korte maar interessante artikel ook in Nederlandse kranten. Daarin werd vermeld hoe de populariteit van bepaalde personen in die tijd werd afgemeten aan het feit dat zij als pijpenkop werden gemodelleerd en in welke mate die pijpenkop werd verkocht. Kennelijk sprak het artikel tot de verbeelding van latere krantenredacteuren, want het werd minstens twee keer herhaald: in 1929 en in 1937, bijna zestig jaar na de eerste publicatie en meer dan tien jaar na de sluiting van de pijpenfabriek Gambier. De pijpen uit het eerste krantenartikel worden hieronder weergegeven in volgorde van het aantal verkochte exemplaren in 1878.
Er wordt vaak gesteld dat veranderende rookgewoonten de belangrijkste reden waren voor de neergang van de kleipijpenindustrie in Gouda in de twintigste eeuw. Dit artikel maakt echter duidelijk dat er veel andere ontwikkelingen waren die deze neergang beïnvloedden en dat in sommige jaren zelfs groei van de pijpenindustrie werd waargenomen. Dit was te danken aan bekwaam leiderschap in de grote gecombineerde pijpen- en aardewerkfabrieken. Aan het begin van de eeuw waren productie en verkoop redelijk stabiel. De Eerste Wereldoorlog zorgde niet alleen voor massale promotie van sigaretten, maar bracht ook problemen met zich mee op het gebied van export en de import van onderdelen en grondstoffen. Direct na de oorlog steeg de inflatie enorm en de stijgende kosten en verkoopprijzen in de pijpenindustrie konden deze inflatie niet bijhouden. Dit kwam doordat het onmogelijk was de efficiëntie van de pijpenmakers te verbeteren. Er werd gesuggereerd dat de ontwikkeling van de in gips gegoten pijp een oplossing voor dit probleem zou zijn, maar dit bleek niet het geval. De langste staking in de Nederlandse geschiedenis en de beurskrach van Wall Street in 1929 veroorzaakten grote moeilijkheden voor de pijpen- en aardewerkindustrie. Toen aan het einde van de jaren dertig de verkoop weer verbeterde, veranderde de Tweede Wereldoorlog de situatie opnieuw. Na de oorlog werd de pijp vooral een export- en souvenirartikel. In de jaren tachtig stopten de laatste grote fabrieken met de productie.Gedurende een aantal jaren blijkt dat de productie van pijpen winstgevender was dan die van aardewerk en dat de pijp fabrikanten in moeilijke tijden zelfs heeft gered. Bekwaam leiderschap, een sterke focus op verkoop en geaccepteerde modellen in de fabriek van Goedewaagen, en de nadruk op ontwerp, kwaliteit en innovatie in de Zenith-fabriek zorgden ervoor dat deze fabrieken zo lang konden voortbestaan in de turbulente twintigste eeuw.