Ga naar de hoofdinhoud
< All Topics

174 – PKN Magazine

De 174e uitgave van het PKN kwartaalblad is een thema nummer waarin de vraag waarom kleipijpen zo interessant zijn voor archeologen en historici centraal staat.

Voorwoord

Dat kleipijpen op heel veel plaatsen worden gevonden en mensen vaak geïntrigeerd zijn door deze kleine voorwerpen betekent niet dat het alleen maar leuke voorwerpjes zijn om naar te kijken. Ze vertellen veel over de gebruikers en makers, en zijn verbonden met de cultuur van het roken en de tabak in het dagelijks leven van mensen. Maar er is veel meer waarover pijpen archeologen kunnen informeren. Immers het is, in zijn vele verschillende verschijningsvormen, het meest algemene gebruiksvoorwerp vanaf het begin van de 17e eeuw, dat overal wordt teruggevonden. Pijpen zijn goed te dateren, vaak binnen een korte tijdsspanne en geven veel mogelijkheden om vondstcomplexen verder te analyseren en te duiden. Goudse pijpen waren zo’n 200 jaar lang de beste pijpen die in West-Europa gemaakt werden en waren maatgevend voor vele tientallen productiecentra in binnen- en buitenland. [1] In Nederland waren er verschillende steden waarvan de producten vaak goed onderling te onderscheiden zijn. Het meest recente overzicht van bekende productiecentra in Nederland is in 2011 gepubliceerd, maar is door de snelle ontwikkeling van het onderzoek inmiddels wat verouderd. [2] De productie in Gouda was enorm en Goudse pijpen werden over de gehele wereld geëxporteerd. Van de totale Hollandse beroepsbevolking was in 1737, toen de Goudse pijpennijverheid op zijn hoogtepunt was, 1.4 tot 2.1% een Goudse pijpenmaker. [3]

In dit boekje wordt in een paar hoofdstukjes de betekenis van het onderzoek naar kleipijpen voor archeologen en historici beschreven en geïllustreerd. De beschrijving is vooral gericht op voorbeelden waar, door de kennis over de kleipijpen en de kleipijpennijverheid, extra informatie is of wordt gegenereerd, die door archeologen gebruikt kan worden. Onderzoek waarbij de pijpen en de pijpennijverheid ‘alleen maar’ illustraties zijn van bestaande kennis, is zoveel mogelijk weggelaten. Uiteraard raken deze twee benaderingen elkaar en is enige vermenging niet geheel te vermijden. Er bestaan veel meer voorbeelden dan hier kunnen worden genoemd. Om die allemaal op te nemen zou deze brochure vele malen zo dik moeten zijn. Ook de voorbeelden kunnen hier niet uitgebreid worden toegelicht. Voor wie meer over deze voorbeelden wil weten is aangegeven in welk artikel of boek nadere informatie gevonden kan worden. Ook op www.tabakspijp.nl is veel informatie beschikbaar en zijn, zowel in het PKN blad als in het jaarboek, veel artikelen te vinden. In het algemeen kan gesteld worden dat de kleipijpennijverheid in verschillende landen de best beschreven tak van nijverheid is. Dit geldt zeker in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in verschillende andere Europese landen. Juist hierdoor is de verzamelde kennis zeer bruikbaar voor archeologen. Door onze Stichting zijn naast de artikelen in ons kwartaalblad, ook uitgebreidere wetenschappelijke artikelen gepubliceerd in ons jaarboek dat sinds 2013 uitgegeven wordt. Daarnaast stimuleren en verzorgen wij specifiek onderzoek en daaruit voortvloeiende publicaties met relevantie voor dit vakgebied. Het meest recente zijn twee forse monografieën over de pijpennijverheid in Schoonhoven en Harlingen. [4] Deze publicaties zijn voorbeelden in een uitgebreide reeks die sinds de oprichting van de PKN is verschenen en waarmee we de nog immer voortschrijdende kennis continu verbreden en uitdiepen. Doorgaand onderzoek brengt nog altijd nieuwe informatie boven tafel en onze Stichting streeft er naar het verzamelen van de kennis met betrekking tot dit aandachtsgebied te stimuleren en middels publicaties in de breedste vorm regelmatig te delen.

De ontwikkeling van de pijpennijverheid in het kort
Eerste-generatie pijpen

De eerste kleipijpen zijn vermoedelijk door Engelse soldaten gemaakt die hier kwamen tijdens de Tachtigjarige oorlog nadat de Engelse opperbevelhebber Leicester, na het verdrag van Nonsuch in 1585, naar ons land kwam en in 1586 in veel strategische steden in ons land troepen stationeerde. Deze troepen ontvingen geen soldij als ze niet vochten en de Engelse soldaten moesten dus een beroep oppakken om in tijden van rust inkomsten te hebben. In veel steden zijn de eerste pijpenmakers die in de archieven vermeld worden afkomstig uit Engeland. Dit geldt bijvoorbeeld voor Amsterdam (1607), Leiden (1612), Gouda en Dordrecht (1617), Rotterdam en Den Haag (1621) en Delft (1625). [5]
Hoewel er reeds voor de vroegst bekende vermeldingen al pijpenmakers actief waren in ons land, was hun beroep op dat moment kennelijk nog niet zo van belang dat zij als zodanig vermeld zijn in de archieven. Uit de periode 1590-1620 zijn tegenwoordig veel vondsten van pijpen bekend. Doordat deze laat 16e en vroeg 17e eeuwse tabakspijpen nog weinig overeenkomsten in vormgeving vertonen worden deze ook wel ‘eerste-generatiepijpen’ genoemd. De pijpjes met een spoor zijn vooral in de omgeving van Utrecht gemaakt en die met een hiel onder meer in Amsterdam, Gouda en Harlingen (afb. 1-4)

Afb. 1a-b. Eerste-generatie pijp uit Amsterdam. Merk Lelie met RP. 1595-1620
Afb. 2. Eerste-generatie pijp met een punthiel of spoor. 1600-1625.
Afb. 3. Eerste generatie-pijp uit Gouda. 1605-1615.
Afb. 4a-b. Eerste-generatiepijpen uit Harlingen.
Gouda wordt het belangrijkste centrum

Vanaf het begin van de 17e eeuw werden er in diverse plaatsen in ons land tabakspijpen gemaakt, doorgaans met eigen, lokale vormkenmerken. Toen in het begin van de 17e eeuw de nijverheid in Amsterdam de grootste was, werd de modellering zoals die door de meeste pijpenmakers daar werd toegepast maatgevend en ontstond er een zekere gelijkvormigheid tussen de tabakspijpen die in de verschillende plaatsen gemaakt werden. Deze vorm wordt het dubbelconische model genoemd. Vanaf het moment dat tussen 1650 en 1660 het aantal pijpenmakers in Gouda dat van Amsterdam ging overstijgen, werden ook de Goudse kwaliteit en vormgeving leidend en werd Gouda definitief het belangrijkste centrum van de pijpenproductie (afb. 5). [8] Het dubbelconische model had haar hoogtepunt tussen 1625 en 1650. Daarna werd dit model slapper. Via een slanker dubbelconisch model ontwikkelde zich vanaf 1680 het trechtermodel. In de volgende jaren werd de ketel ruimer en nam de dikte van de steel af en had dit model zijn bloeiperiode tussen 1690 en 1730. Uit het trechtervormige model ontstond vanaf 1730 het ovale model met een dunne steel dat vanaf 1740 tot zijn meest uitgebalanceerde vorm kwam. De kwaliteit was zo hoog dat de Goudse pijp maatgevend werd voor nagenoeg alle productiecentra in heel West-Europa en circa 200 jaar nergens geëvenaard kon worden. Tal van innovaties, onder meer op het gebied van het bakproces in pijpenpotten, de gebruikte turf en kleisamenstelling, hebben ervoor gezorgd dat deze zeer hoge kwaliteit bereikt kon worden. Gouda werd hierdoor, ruim 60 jaar na het einde van de Gouden Eeuw, het grootste pijpenmakercentrum van heel Europa, met in 1737 op het hoogtepunt 463 pijpenmakers(bazen) met een eigen merk (afb. 6).[9]

Niet alle Goudse pijpenmakers produceerden pijpen van een hoge kwaliteit. Ook werden er goedkope, zogenaamde ‘groffe’ pijpen gemaakt. Tot circa 1660 werd er één kwaliteit hoogwaardige pijpen vervaardigd: de ‘fijne’ kwaliteit. Daarna onderscheiden we twee soorten hoogwaardige pijpen: de ‘fijne’ en de (allerhoogste) ‘porceleyne’ kwaliteit.
De omvang van de productie in Gouda valt niet goed te berekenen vanwege het ontbreken van een aantal basisgegevens als de omvang van de bedrijven en de arbeidsproductiviteit. Aangenomen mag worden dat op het hoogtepunt van de Goudse pijpennijverheid de productie enige tientallen miljoenen stuks per jaar bedroeg. In 1660 werd het Goudse pijpenmakersgilde opgericht. In Leiden en Gorinchem ontstonden gilden in respectievelijk 1661 en 1656, terwijl in Schoonhoven dit pas in 1767 het geval was.[10] Het Goudse gilde was het belangrijkste pijpenmakersgilde met de meeste regelingen, passend bij het belang van de Goudse pijpennijverheid (afb. 7b).

Afb. 7a-b. Begrafenisschild van het Goudse pijpenmakersgilde uit 1735 (a) en het reglement van het gilde uit 1686 (b). Museum Gouda.

Over de regelingen en de gildeadministratie en het merkenrecht is veel gepubliceerd. Pijpenmakers werden door de stedelijke overheid verplicht om lid te worden van het gilde. Het gildebestuur zorgde onder meer voor de merkenregistratie, de handhaving van de reglementen, de oplossing van onderlinge geschillen, en zag toe op de geregelde aanvoer van klei en regelde het bakloon bij de pottenbakkers waar de pijpenmakers hun pijpen lieten bakken. Aanvankelijk mocht iedere pijpenmaker slechts één merk bezitten, later werd dit verruimd. Het reglement werd door het gildebestuur opgesteld, maar werd bekrachtigd door de magistraat. Ook over geschillen nam het stadsbestuur na advies van het gilde beslissingen. Het gilde was dus, in tegenstelling met gilden in de Zuidelijke Nederlanden, vooral een instrument van het stadsbestuur om invloed uit te oefenen op de nijverheid en de economie. Omgekeerd was de invloed van het gilde op het stadsbestuur beperkter.

Afb. 8a-c. Een in Berlijn gevonden pijp met twee merken. Eén op de ketel (c) en één op de hiel (b).

Gildebestuurders waren geen heiligen. Bevoordeling en fraude door gildebestuurders kwam veel voor.[12] Geprivilegieerde kooplieden die van buiten Gouda kwamen konden ook lid van het gilde worden en daardoor regels omzeilen. Soms koos het gildebestuur voor het handelsbelang van een merk tegen de gilderegels in en dupeerde daardoor kleine pijpenmakers.[13] Ook werd soms oogluikend toegestaan dat een pijpenmaker een merk zette dat vacant was en dat niet van hem was geweest. Kennelijk omdat op dat merk nog orders binnenkwamen. Een ander voorbeeld van het negeren van de gilderegels is het zetten van twee verschillende merken op een pijp. Deze pijpen worden vooral in Noord-Duitsland gevonden. In Berlijn zijn pijpen opgegraven met de merken EB en de Roemer (afb. 8a-c). Beide belangrijke Goudse merken.[14]

Afb. 9. Tonnen met pijpen op de Pijpenmarkt in Amsterdam. Van der Lingen 2015, afb. 8.

Een belangrijk deel van de betere kwaliteitspijpen ging naar het buitenland. De Amsterdamse pijpenmarkt, die in de tweede helft van de 17e eeuw werd
opgericht, vervulde een belangrijke rol in de handel naar Noord-Nederland en de export van pijpen. Over het functioneren van de pijpenmarkt, de ordonnanties, de vrachttarieven, de export en over de handelaren en marktmeesters die daarbij een rol speelden is inmiddels veel informatie beschikbaar.[15] Hiermee is dit deel van de stapelmarkt een van de best onderzochte delen, zeker omdat over de kleipijpennijverheid en de export van pijpen eveneens heel veel bekend is. Opmerkelijk is het grote aantal pijpenhandelaren met connecties in de scheepvaart, waarvan er veel hun geboorteplaats in Duitsland hadden en vervolgens ook vaak handel dreven met Duitsland. Op de pijpenmarkt werden voornamelijk pijpen uit Gouda verhandeld, maar ook (imitatie) pijpen uit Aarlanderveen en Alphen. De grootste pijpenkoper Dirk Entvogel verkocht alleen de originele Goudse pijpen.[16] Naast pijpenhandelaren waren er ook belangrijke tabaksfabrikanten en handelaren, zoals
Van de Velde, Burgklij en Zapfenbergh die in Gouda pijpen lieten vervaardigen met hun eigen firmanaam.[17]

Andere centra in de 17e eeuw
In de 17e eeuw werden er, tot nu bekend, pijpen vervaardigd in Alkmaar, Alphen aan den Rijn (eind 17e eeuw), Amersfoort, Amsterdam, Bergen op Zoom, Breda, Delft, Deventer, Dordrecht, Enkhuizen, Geertruidenberg, Gorinchem, Groningen, Haarlem, Harlingen, Hoorn, Kampen, Koog aan de Zaan, Leeuwarden, Leiden, Maastricht, Middelburg, Rotterdam, Schiedam, Schoonhoven, ’s-Gravenhage, Utrecht, Zutphen en Zwolle.[18] Ook waren er plaatsen waar in ieder geval één pijpenmaker werkzaam was zoals: Appingedam, Den Briel, Dokkum, Heerenveen, Koog aan de Zaan, Nijmegen, ’s-Hertogenbosch, Tholen en Woerden.[19]

Afb. 10a-c. Een paar voorbeelden van 17e eeuwse pijpen met een eigen plaatselijke vormgeving: Bergen op Zoom (a), Groningen (b) en Leeuwarden (c).

Hier werden over het algemeen relatief eenvoudige pijpen gemaakt. In enkele plaatsen, zoals in Gorinchem, Gouda en Rotterdam werden in de vroege 17e eeuw ook kwaliteitspijpen geproduceerd. De concurrentie uit Gouda zorgde er echter voor dat de pijpenmakers buiten Gouda zich steeds meer specialiseerden op de goedkopere pijpen voor de lokale markt. De concurrentie met de kwalitatief superieure Goudse pijpen werd uiteindelijk zo groot dat veel centra aan het eind van die eeuw verdwenen. De in de verschillende Nederlandse plaatsen gemaakte tabakspijpen zijn vaak goed als zodanig te herkennen, niet alleen door merken, maar ook door een afwijkende unieke vormgeving. Het onderzoek van de laatste jaren heeft ervoor gezorgd dat pijpen die niet in Gouda geproduceerd zijn tegenwoordig erg goed herkend kunnen worden en veelal aan de betreffende plaatsen van herkomst kunnen worden toegeschreven (afb. 10). Ook in de schilderkunst is soms zichtbaar uit welk productiecentrum bepaalde pijpen afkomstig zijn. Een mooi voorbeeld daarvan is te zien in het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden, waar twee schilderijen naast elkaar hangen die dit fraai illustreren. Het zijn twee vanitas stillevens van de schilders David Baily (afb. 11) en zijn neef en leerling Harmen Steenwijk (afb. 12). Op het eerste schilderij staat duidelijk een Leidse pijp afgebeeld, terwijl het tweede doek, van de toen in Delft werkende Steenwijk, een tweetal Delftse pijpen laat zien.

Afb. 11a-b. Schilderij van de Leidse schilder David Baily uit 1661 met een Leidse pijp. Museum De Lakenhal, objectnummer S 1351.
Afb. 12a-b. Vanitas stilleven uit circa 1650 met twee Delftse pijpendoor de Delftse schilder Harmen Steenwijk. Museum De Lakenhal, objectnummer S 408.
De 18e eeuw

In de 18e eeuw waren er naast Gouda een beperkt aantal plaatsen waar nog een aanzienlijke productie was. Dit betrof vooral eenvoudige pijpen, veelal zogenaamde zijmerkpijpen, maar ook werden in een paar plaatsen kwaliteitspijpen vervaardigd, vaak als vervalsingen van Goudse pijpen. De ontwikkeling in Gouda werd bepaald door de hoge kwaliteit van de pijpen die daar werden gemaakt en die daardoor zeer concurrerend waren op de (internationale) markt. Bijzonder is dat in 1739 en 1740 de Staten van Holland en West-Friesland aan de Goudse pijpenmakers octrooien verleend hebben om op de zijkant van de hiel van de porceleyne pijpen (hoogste kwaliteit) het wapen van Gouda als bijmerk te mogen plaatsen en op de fijne pijpen (op één na hoogste kwaliteit) dit wapen met een S erboven. Deze octrooien moesten de Goudse pijpenmakers vooral tegen de vervalsingen uit Alphen, Aarlanderveen en later Oudshoorn beschermen.[20] Echter pijpenmakers uit deze plaatsen, maar ook uit bijvoorbeeld Schoonhoven, zetten op hun nagemaakte Goudse pijpen een imitatie Gouds wapentje met bijvoorbeeld meer sterren of punten in plaats van de zes sterren om zo onder het octrooi uit te komen (afb. 13a-b).[21] Complicerend voor de datering van Goudse pijpen is dat sommige pijpenmakers het bijmerk pas later op hun pijpen zijn gaan zetten.[22]

Afb. 13a-c. Een Gouds bijmerk (a), een in Alphen nagemaakt bijmerk (b) en een in Schoonhoven nagemaakt bijmerk (c).
Afb. 14a-c. Voorbeelden van bijmerken zoals die in andere plaatsen gebruikt werden: Den Bosch (a), Aarlanderveen (b) en Delft (c).
Afb. 15a-d. Zijmerkpijpen uit Schoonhoven (a,b), Gorinchem (c) en Utrecht (d)
De centra buiten Gouda

De belangrijkste productiecentra in de 18e eeuw waren Alphen, Aarlanderveen, Schoonhoven, Gorinchem, Groningen, Leeuwarden, Maastricht, Utrecht en Zwolle. Ook was er enige productie in Leeuwarden, Breda, Delft, Deventer, Dokkum, Meppel, Oudshoorn, Sneek en Woerden. De pijpenmakers uit Aarlanderveen, Oudshoorn en Alphen legden zich
vooral toe op het imiteren van de Goudse kwaliteitspijpen. Sommige van deze pijpenmakers, zoals Philip Hoogenboom uit Aarlanderveen, lukte dat heel aardig, maar vaak is aan de afwerking, de gebruikte merken en na 1739 het bijmerk te zien dat het om producten gaat die niet uit Gouda afkomstig zijn. Om dit onderscheid te maken is specialistische kennis vereist. In de andere centra werden vooral goedkope pijpen gemaakt. Voor de pijpenmakers in Schoonhoven, Gorinchem en in mindere mate Utrecht was het maken van goedkope pijpen voor de massamarkt de enige manier om structureel in hun broodwinning te kunnen voorzien. Voor de meeste Goudse pijpenmakers viel er in dit marktsegment namelijk te weinig te verdienen.
De in deze plaatsen geproduceerde goedkope pijpen hadden zodoende een marktaanvullende functie ten opzichte van de Goudse pijpen. Om dergelijke goedkope pijpen er toch enigszins aantrekkelijk uit te laten zien werden versieringen en ook merken in de persvorm ingegraveerd en was de verdere afwerking minimaal. Vandaar dat dergelijke pijpen ook wel ‘zijmerkpijpen’ genoemd worden. Uit recent onderzoek is gebleken dat met de specialisatie in dit goedkope productsegment, zich in Schoonhoven ook een geheel eigen merkvoering ontwikkelde, die vervolgens weer in andere plaatsen gekopieerd of nagevolgd werd. Recent onderzoek laat tevens zien dat een aantal van de Schoonhovense pijpenmakers zich na het midden van de 18e eeuw gericht hebben op verbreding van hun assortiment. Dit betrof zogenaamde casjotte pijpen, maar ook ovale pijpen, waarvan in sommige gevallen het kwaliteitsniveau heel dicht komt bij die van de Goudse pijpen. De merken op deze pijpen zijn vooral gekopieerde Goudse merken maar ook werden eigen, unieke merken gebruikt. Door deze inventarisatie is het makkelijker geworden Schoonhovense imitaties te herkennen.[23]

Afb. 16a-c. Een ovale (hielmerk NB gekroond (a)) en een tweetal casjotte pijpen van fijne kwaliteit uit Schoonhoven (merken Both (b) en WS gekroond (c)).
De 19e eeuw

In de eerste helft van de 19e eeuw waren de omstandigheden voor de Goudse pijpenmakers ronduit slecht. De export was naar veel landen niet meer mogelijk en de verarmde Nederlandse bevolking had minder geld om te roken. Veel pijpenmakers, maar vooral de werknemers in de pijpennijverheid, leden een kommervol bestaan. Slechts enkele grotere bedrijven wisten flinke winsten te maken. De modellen van de pijpen uit de eerste helft van de 19e eeuw sloten aan bij die uit de 18e eeuw, al was de uitvoering daarvan veel minder verfijnd en werden de ovale koppen steeds plomper.[24]
Pas kort na 1850 keerden de kansen en werd, vooral voor de grotere bedrijven, de situatie beter. Na 1850 werd het assortiment van de pijpenmakers snel en drastisch veranderd. Naast de lange Goudse pijpen met een ovale kop, kwamen heel andere modellen op de markt: een explosie aan nieuwe modellen.[25]

Afb. 17a-e. Verschillende Goudse pijpen uit de tweede helft van de 19e eeuw. Pijpen van ondermeer P. van der Want en F. S. Sparnaaij
Voorbeelden van het belang van pijpen voor de archeologie

Voor archeologen zijn kleipijpen vaak een nauwkeurig hulpmiddel om vondsten te dateren.[26] Maar ook geven kleipijpen vaak informatie over handelsrelaties en waar bijvoorbeeld opgegraven afval vandaan komt. Ook het gedrag van mensen, de sociale status van bewoners van een huis of van een wijk wordt vaak duidelijk door de gevonden pijpen. Bijzonder was ook het gebruik van pijpen bij de handel in slaafgemaakten

Datering met pijpen en handelsrelaties

Datering van pijpen gebeurt vooral aan de hand van de vorm en aan de merken of versieringen op pijpen. Deze kunnen vaak aan hun vorm binnen een periode gedateerd en toegeschreven worden aan een plaats van herkomst en als deze pijpen gemerkt zijn, aan een pijpenmaker. Vaak zijn een of meer van de gevonden merken niet in de gehele periode, waarin de vondst op basis van de vorm gedateerd kan worden, in gebruik geweest.[27] Hierdoor kan de datering vaak nog scherper worden bepaald. Een mooi voorbeeld is de datering van het scheepswrak uit 1784 van het fluitschip de Maria Johanna bij de Roosevelt Inlet in de Delaware baai in Amerika (afb. 18 en 19).[28] De pijpen in dit wrak zijn, op basis van hun vorm te dateren tussen 1775 en 1815. In dit wrak is één Goudse pijp gevonden met het merk BS. Dit merk was in de periode 1746-1782 niet in gebruik (vacant). Vanaf 1783 was het merk eigendom van Adrianus Sparnaaij. Het schip moet dus pas in of na 1783 naar Amerika vertrokken zijn. In dat jaar eindigde de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783). Op basis van krantenberichten kon door deze datering de naam van het schip worden teruggevonden. In de periode vanaf circa 1700 tot aan het eind van de onafhankelijkheidsoorlog zijn er nauwelijks Nederlandse pijpen naar Amerika geleverd, door importverboden van de Engelse regering. De pijpen in Amerika in die tijd waren daardoor vooral Engelse pijpen. De pijpen die de Maria Johanna meebracht waren Goudse kwaliteitspijpen met verschillende merken.

Afb. 18a-b. Een fluitschip zoals de Maria Johanna en het wrak bij de Roosevelt Inlet in de Delaware baai.

Afb. 19a-b. De vondstlocatie

Iets over handelsrelaties

De handel met pijpen is steeds beter gedocumenteerd, maar is nog steeds onderwerp van internationaal onderzoek. Pijpenmakers verkochten, zeker als zij in bezit waren van een gerenommeerd merk, hun pijpen op merk. Hierdoor is de verspreiding van veel pijpen bepaald door de contracten die deze pijpenmakers hadden. Dat betekent ook dat pijpen van een bepaald merk niet overal teruggevonden worden. Soms was de contractuele relatie zo sterk, dat zodra een andere pijpenmaker het merk overnam, deze handel
werd voortgezet. Daardoor worden pijpen met hetzelfde merk soms over een langere periode dan de werkzame periode van de eerste pijpenmaker, in een bepaald gebied teruggevonden. Een verschijnsel dat als ‘merkentrouw’ omschreven wordt. Andere pijpen, met minder bekende merken, werden vaak niet op merk verkocht.
Veel pijpen werden via handelaren verkocht. De Amsterdamse pijpenmarkt, als deel van de Amsterdamse stapelmarkt, speelde daarin een belangrijke rol, omdat vandaar pijpen over de gehele wereld werden uitgevoerd.[29]
Zeelieden verkochten soms in de havens van aankomst pijpen voor eigen rekening. De meeste handel was echter getrapt. Bijvoorbeeld verkoop aan een handelshuis in een haven. Het handelshuis verkocht vervolgens de pijpen aan tussenhandelaren die deze pijpen naar detaillisten of lokale handelaren in het binnenland verkochten. De vraag welke handel aanbod gestuurd of vraag gestuurd was, is van wezenlijke betekenis voor de interpretatie van vondsten. Ook de vraag of handel gericht was naar een bepaalde afnemer of ongericht naar bijvoorbeeld een handelaar, is daarbij van belang.[30] Voor archeologen is het vaak heel lastig om vast te stellen hoe de pijpen op een bepaalde plaats terechtgekomen zijn. Door het onderzoek van de PKN en onderzoekers in het buitenland komt er steeds meer zicht op hoe de handelsrelaties zijn vormgegeven en valt beter in te schatten hoe de handel verlopen is. Ook importverboden en importheffingen in diverse staten zijn inmiddels ver in kaart gebracht. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor de importverboden in Beieren, Oostenrijk en Bohemen die samenhingen met de verpachting aan een Appaltator van de belasting op tabak en pijpen.[31] Dit onderzoek naar importheffingen en -verboden en andere mercantilistische maatregelen is ook voor andere handelsstromen dan alleen pijpen interessant.

Gedrag van mensen

Pijpen werden door mensen van elders meegenomen. Voorbeelden zijn een Turkse pijp en een Amerikaanse pijp uit het Chesapeake gebied die bij elkaar teruggevonden zijn in een sloot in de Schermer.[32] Turkse pijpen met hun exotische uitstraling waren in de 17e en 18e eeuw bij sommige rokers en verzamelaars geliefd en worden regelmatig teruggevonden. De meeste daarvan in havensteden. Ook uit verschillende archiefbronnen is het gebruik van Turkse pijpen bekend. Goudse pijpenmakers maakten op beperkte
schaal Turkse pijpen na.[33] Zeventiende eeuwse pijpen uit Duitsland zijn ook teruggevonden, zoals een pijp waar op de ketel een engeltje is afgebeeld en afkomstig is uit Frankenthal-Mannheim, die kennelijk in de bagage van een reiziger aanwezig was (afb. 20a-b).[34] Een ander voorbeeld wordt gevormd door personen die op bedevaart gingen en vandaar een pijp meenamen als souvenir van hun tocht en ervaring. Een souvenirpijp van het bedevaartsoord Kevelaer, die eigendom was van de voormalige eigenaar van een boerderij is bijvoorbeeld gevonden in Tull en ’t Waal in de provincie Utrecht (afb. 20c).[35]

Afb. 20a-c. Twee uit het buitenland meegenomen pijpen: Een Engeltje uit Frankenthal-Mannheim van rond 1650 (a,b) en een bedevaart pijp van Kevelaer (c) uit het eind van de 19e of begin van de 20e eeuw.

Een ander voorbeeld van een gedragspatroon is af te lezen aan de pijpen die gevonden zijn bij de Hofstede Arentsburgh in Voorburg, tijdens de opgraving van Casper Reuvens tussen 1827 en 1831.[36] Wat daarbij opvalt is dat, hoewel de Hofstede aan de Vliet gelegen is, er in het 17e eeuwse toemaakdek geen 17e eeuwse Leidse pijpen gevonden zijn, maar wel pijpen uit Delft. Dit heeft te maken met het feit dat de Vliet bij Leidschendam afgesloten was.[37] Omdat de Delftse pijpenproductie zeer beperkt was en de pijpen van een slechte kwaliteit waren, werden pijpen uit dat centrum in de directe omgeving afgezet.[38] De vondst van verschillende Delftse pijpen laat zien dat het bij de Hofstede gestorte afval uit Delft of Den Haag afkomstig moet zijn (afb. 21).[39] Ook de vondst van veel pijpen bij de opgravingen in het militaire kamp te Oirschot (1832-1834) heeft bijgedragen aan een betere kennis van het leven in het kampement tijdens de periode van de afscheiding van België.[40]

Afb. 21a-b. Delftse pijp zoals gevonden bij de Hofstede Arentsburgh van de Delftse pijpenmaker Willem Ketel (1630-1660).
De sociale status van personen in een huis, een wijk of bijvoorbeeld in de handelspost Dejima in Japan

Aan de pijpen die in een wijk of bijvoorbeeld in de beerput van een huis worden gevonden kan veelal de sociale status van die wijk of dat huis worden afgelezen. Bijvoorbeeld in Leiden werd jaren geleden gegraven en gebouwd op de hoek van de Langegracht en de Houtmarkt. In de 18e eeuw was dit deel van Leiden geen welvarende buurt. Tijdens deze werkzaamheden zijn dan ook merendeels groffe 18e eeuwse pijpen aangetroffen. Ook bij het onderzoek naar twee bouwhuizen op het terrein van het kasteel Heemstede ten westen van Houten zijn vooral groffe 18e eeuwse pijpen aangetroffen, vaak intensief gerookt, die passen bij het personeel in de tuinmans- en koetsierswoningen.[41]
Daarentegen zijn in Utrecht bij de bouw van een parkeergarage aan de Strosteeg 18e eeuwse pijpen gevonden die voor een belangrijk deel behoorden tot de porceleyne en fijne kwaliteit (de twee hoogste kwaliteiten) Goudse pijpen. Veel van deze pijpen zijn van belangrijke pijpenmakers afkomstig en sommige merken zijn over een langere periode dan de werkzame periode van een pijpenmaker aangetroffen. Hier was dus voor een deel van de kwalteitspijpen kennelijk sprake van langlopende leveringscontracten ten bate van welgestelde afnemers.[42]

Afb. 22. Versierde kleipijp gevonden in Dejima.
Afb. 23a-b. Een pijp voor de Sociëteit Felix Meritis.

Een mooi voorbeeld is Dejima, Japan, waar op de VOC-handelspost bijna 4.000 pijpenkoppen zijn opgegraven en onderzocht, die bijna zonder uitzondering van de betere fijne en beste porceleyne kwaliteit bleken te zijn, passend bij de status van de handelaren. Deze pijpen waren twee tot drie keer duurder dan in Nederland en werden ook op kleine schaal in Japan verhandeld.[43]

De bewaard gebleven administratie van 1784 tot 1861 van de Sociëteit Felix Meritis in Amsterdam geeft een fascinerende inkijk in het enorme tabaksgebruik als deel van het functioneren van die Sociëteit.[44] In de periode 1783- 1854 werden door dit genootschap bijna 900.000 stuks pijpen aangeschaft voor de leden en bezoekers en werden tussen 1783 en 1861 ook nog eens bijna een miljoen pijpen uitgebrand voor het genootschap (afb. 23a-b). Ieder lid betaalde jaarlijks f 3,15 voor de aankoop van ‘beste fijne lange en korte Pijpe’ waardoor per persoon 18 pijpen per maand beschikbaar waren. Als daar de uitgebrande pijpen bij worden geteld dan was het gebruik circa 36 pijpen per persoon per maand, die op de bijeenkomsten van het genootschap werden gerookt. Het rookgedrag in Felix Meritis laat duidelijk zien hoe hoog het verbruik van pijpen was. Bovendien is hieruit ook zichtbaar dat in de hogere kringen in Nederland het gebruik van de Goudse kwaliteitspijp in de tweede helft van de 18e eeuw nog steeds geliefd was. Na 1825 treedt een sterke daling op van het aantal gebruikte pijpen bij deze Sociëteit, vermoedelijk veroorzaakt door de opkomst van de sigaar.

Pijpen voor de aankoop van slaafgemaakten

Kwaliteitspijpen waren één van de ruilmiddelen bij de aankoop van slaafgemaakten. De Afrikaanse heersers die deze slaafgemaakten verkochten wilden pijpen hebben van de hoogste (porceleyne) en één na hoogste (fijne) kwaliteit. Opgravingen in Elmina (afb. 24) laten zien dat het grootste deel van deze pijpen vervaardigd is door belangrijke pijpenmakers met een gerenommeerd merk (afb. 25).[45]
Ook uit ladinglijsten, havenboeken en handelsboeken blijkt dat aanzienlijke aantallen pijpen gebruikt zijn voor de aankoop van slaafgemaakten. Niet alleen Nederlandse schepen van de WIC en de Middelburgse Commercie Compagnie gebruikten de Goudse kwaliteitspijp voor deze ruilhandel, maar bijvoorbeeld ook Franse schepen kochten Goudse pijpen omdat die bij de
Afrikaanse heersers het meest geliefd waren.[46]

Afb. 24. Fort Elmina in Ghana, waarvandaan veel slaafgemaakten werden verscheept naar Amerika. Tekening Gerard van Keulen. Nationaal Archief.
Afb. 25. Een midden 18e eeuwse Goudse kwaliteitspijp, zoals gebruikt voor de aankoop van slaafgemaakten.
Noten

1. Davey, 2009, p. 1-148.
2. Oostveen en Stam, 2011.
3. Stam, 2019, p. 196.
4. Korpershoek, 2020. Van der Lingen en Korpershoek, 2024.
5. Stam, 2019, p. 53-63.
6. Van der Lingen, 2014, p. 111-149 en 2015, p. 19-31. Stam, 2019, p.
59.
7. Van der Lingen en Korpershoek, 2024, p. 20-23.
8. Stam, 2019, p. 83.
9. Stam, 2019, p. 182-185, 192-193.
10. Van der Meulen en Tupan, 1980; Van der Meulen, Brinkerink en von
Hout, 1992; Van der Meulen, 1999; Korpershoek, 2020.
11. Helbers en Goedewaagen, 1942; Kamphuisen, 1966; Duco, 2003;
Stam, 2019.
12. Stam, 2019, p. 118-120.
13. Duco, 2003, p. 19, 22 en 31.
14. Faensen, van der Lingen en Stam, 2015, p. 4-6.
15. Van der Lingen, 2016, p. 67-123.
16. Van der Lingen, 2015, p. 149-164.
17. Van der Lingen, 2013.
18. Van Oostveen en Stam, 2011.
19. Van Oostveen en Stam, 2011 en Korpershoek, 2017, p. 19.
20. Helbers en Goedewaagen, 1943, p. 4-5.
21. Korpershoek, 2023, p. 17.
22. Stam, 2014, p. 99-102.
23. Korpershoek, 2023, p. 9-35.
24. Stam, 2023, p. 49-114.
25. Stam , 2019, p. 18-21.
26. Carmiggelt, 1988, p. 43-47. Higgins, 1995, p. 47-52. Gojak, 1999, p.
38-50. Ansorge, 2012, p. 183.
27. Duco, 1987. Duco, 2003. Van der Meulen, 2003.
28. Stam, 2019, p. 333. Hak, 2020.
29. Van der Lingen, 2016, p. 67-123.
30. Davey, 2013, p. 98. Stam, 2019, p. 291-299.
31. Stam, 2019, hoofdstuk 3.1.
32. Van der Lingen, 2013, p. 59-63.
33. Van der Lingen, 2014, p. 39-53.
34. Korpershoek, 2013, p. 87-91.
35. Stam, 2021, p. 11-13.
36. Van der Lingen, 2021, p. 31-73.
37. Smit, 1957, p. 44, e.v.

38. Van Oostveen, 2018.
39. Een toemaakdek is het stadsafval dat boeren moesten afnemen en dat zij vermengden met bagger en mest voor de verbetering van de
grond.
40. Bazelmans, Purmer, de Kort en Verspaandonk, 2017, p. 41-70.
41. Van der Lingen en van Heerden, 2020, p. 38.
42. Purmer, 2023, p. 40.
43. O.a. Van der Lingen, 2010, p. 345-365 (Een Nederlandstalige publicatie over deze vondsten is in voorbereiding) en 2017, p. 37-62.
44. Van der Lingen, 2013, p.65-85.
45. Stam, 2024, p. 15-24.
46. Stam, 2016, p. 206-207, Stam 2024, p. 180-181.

Literatuur
  • Ansorge, J., 2012. Archäologische Untersuchungen auf der ehemaligen Fährbastion in Stralsund. – Mit einem Exkurs zur Tonpfeifenproduktion in Walbeck (Aller). Bodendenkmalpflege in Mecklenburg-Vorpommern, Jahrbuch 60, p. 169-258.
  • Bazelmans, J., Purmer, M. de Kort J-W., Verspaandonk, A, 2017. O Belgen! Wanneer gij Jantje Klaas zijn pijpje ziet rooken. Klei- en porseleinen pijpen van het Kamp bij Oirschot (gemeente De Beerzen), 1832-1834. Jaarboek PKN, Stichting voor Onderzoek Historische Tabakspijpen 2017, p. 41-70.
  • Carmiggelt, A., 1988. Het belang van gesloten vondstcomplexen voor de datering van kleipijpen. PKN 11 (42), p. 43-47.
  • Davey, P. J. (editor), 2009. National Clay Pipe summaries. Journal of the Académie Internationale de la Pipe 2, p. 1- 148.
  • Davey, P. J., 2013. Fire and Water: Pipes as a symbol of maritime trade connections. Journal of the Académie Internationale de la Pipe 6, p. 97-99.
  • Duco, D. H., 1987. De Nederlandse kleipijp. Handboek voor dateren en determineren. Leiden.
  • Duco, D. H., 2003. Merken en merkenrecht van de pijpenmakers in Gouda.
    Amsterdam.
  • Faensen, B., Lingen, B. van der en Stam, R. D., 2015. Clay pipes with dual stamps on the heel and the smoker’s side of the bowl. Archaeological finds from the old Rathaus of Berlin. Journal of the Académie Internationale de la Pipe 8, p. 1-7.
  • Gojak, D., 1999. The Potential for the Archaeological Study of Clay Tobacco Pipes from Australian Sites. Australasian Historical Archaeology 17, p. 38-50.
  • Hak, J. B., 2020. Maria Johanna 1783. Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
  • Helbers, G.C. en D.A. Goedewaagen, 1942. Goudsche pijpen. GoudaHiggins, D. A., 1995. Clay tobacco pipes: a valuable commodity. The International Journal of Nautical Archaeology 24, p. 47-52.
  • Kamphuisen, J. G. C., 1966. Het recht van merk op de Goudse pijp. Doctoraalscriptie.
  • Korpershoek, E., 2013. Een Duits Engeltje uit leiden. Jaarboek PKN, Stichting voor Onderzoek Historische Tabakspijpen, p. 87-91.
  • Korpershoek, E., 2017. Kleipijpen uit Friesland (2). Jaarboek PKN, Stichting voor Onderzoek Historische Tabakspijpen, p. 19-39.
  • Korpershoek, E., 2020. De pijpenmakers van Schoonhoven. Leiderdorp.
  • Korpershoek, E., 2023. Inventarisatie van bodemvondsten verzameld door de Historische Vereniging Schoonhoven. Jaarboek PKN, Stichting voor Onderzoek Historische Tabakspijpen, p. 9-35.
  • Lingen, B. van der, 2010. Clay tobacco pipes from the 2002-2005 excavations of Otona, the South and West Stone Wall and the West Water Gate,
    in Dejima, Nagasaki, Japan. The Dejima trading post: A nationally designated historical site: Report about restoration and reconstruction work Vol. 1
    (Report of the excavation of the South side of the stone wall). Nagasaki City Board of Education, Nagasaki, p. 345-365 (Japanse tekst).
  • Lingen, B. van der, 2013. Felix Meritis: Inkoop, gebruik en hergebruik van kleipijpen, 1784-1861. Jaarboek PKN, Stichting voor Onderzoek Historische Tabakspijpen, p. 65-85.
  • Lingen, B. van der, 2013. Een Amerikaanse Chesapeake pijp en een Turkse tsjiboek uit een sloot in de Schermer. Jaarboek PKN, Stichting voor Onderzoek Historische Tabakspijpen, p. 59-61.
  • Lingen, B. van der, 2013. Van de Velde, Burgklij & Zapfenbergh. Utrecht,
    Uitgeverij Brittenburg.
  • Lingen, B. van der, 2014. Ottomaanse pijpen in Nederlandse collecties,
    archieven en als bodemvondst (zeventiende en achttiende eeuw). Jaarboek
    PKN, Stichting voor Onderzoek Historische Tabakspijpen, p. 39-53.
  • Lingen, B. van der, 2014. Een groep zeldzame eerste-generatiepijpen uit
    Amsterdams afval, 1590-1625. Jaarboek PKN, Stichting voor Onderzoek
    Historische Tabakspijpen, p. 111-149.
  • Lingen, B. van der, 2016. De pijpenmarkt op de Nieuwezijds Voorburgwal
    te Amsterdam. Ordonnanties, vrachttarieven, pijpenhandelaren en export.
    Jaarboek PKN, Stichting voor Onderzoek Historische Tabakspijpen, p. 67-
    123.
  • Lingen, B. van der, 2017. Tobacco related items and tobacco in probate
    inventories of the Dutch East India Company (VOC) in Dejima, Nagasaki
    (Japan). Journal of the Académie Internationale de la Pipe 10, 37-62.
  • Lingen, B. van der en Heerden, L. van, 2020. Tabakspijpen van kasteel
    Heemstede te Houten. Jaarboek PKN, Stichting voor Onderzoek Historische
    Tabakspijpen, p. 33-47.
  • Lingen, B. van der, 2021. Kleipijpen van de opgravingen op de Hof-

Table of Contents
Scroll naar boven